Na het indrukwekkende bezoek aan het Semonggoh rehabilitatie centrum stap ik weer in de bus. Het begint te regenen, maar met de enorm gezellige groep waar ik mee reis deert mij dit niet. Het is een reis van ongeveer vier uur, maar ik heb meer tijd nodig om al het moois onderweg in mij op te nemen. Ik kom steeds dichterbij de plek waar we met bootjes naar de Longhouses vervoerd zullen worden. Het regent steeds harder en ik hoop nu toch stiekem dat het stopt, want wie wil er nou in de regen in een bootje zitten. We komen steeds dichterbij. Het is nog steeds niet opgehouden met regenen. We zijn er. De harde regen is omgeslagen in miezer en ik hoor mijn moeder in mijn hoofd zeggen: ‘wat een zondagskindje ben je toch weer’. Ik kan mij niet beheersen zo snel mogelijk voor de rest uit te stappen, want iets in de verte heeft mijn aandacht getrokken. Ik loop de trap van het meerhuisje op en wat ik zie geeft mij een kippenvelmoment, een onbeschrijfelijk gevoel dat ik nog nooit eerder zo gevoeld heb. Een uitzicht zo mooi, het meer, het bootje zo heerlijk alleen op dat hele grote meer, het regenwoud in de verte waar waterdampen uit oprijzen en ik denk bij mezelf: ‘wat ben ik toch een zondagskind’. Alleen juist de harde regen heeft kunnen zorgen voor dit enorm mooie plaatje. “The rainforest” is toch echt op zijn mooist na een harde regenbui en elke keer als ik hier naar kijk, ben ik weer even terug in het mooie Maleisisch Borneo.